Van losse inrichting naar totaalconcept: waarom Italiaanse architecten al decennia anders denken over interieur

van-losse-inrichting-naar-totaalconcept

Uitzonderlijke interieurs ontstaan niet toevallig. Ze zijn het resultaat van doordachte keuzes, de juiste materialen en een scherp gevoel voor verhoudingen.
Toch is de manier waarop dat proces georganiseerd wordt historisch niet overal identiek geweest. In de praktijk zie je nog altijd verschillende benaderingen naast elkaar bestaan - benaderingen die elk hun eigen logica hebben en vandaag steeds meer naar elkaar toe groeien.

Twee tradities: fragmentatie versus totaaldenken

In Zuid-Europese landen zoals Italië is de figuur van de ontwerper traditioneel breder ingevuld. De architect denkt er niet alleen in termen van structuur en gevel, maar vaak ook in interieur, materialen en sfeer. De grens tussen architect, interieurontwerper en soms zelfs meubelontwerper is historisch dunner.

Die traditie heeft een naam en een gezicht. Gio Ponti (1891 - 1979), een van de meest invloedrijke Italiaanse architecten van de twintigste eeuw, ontwierp niet alleen gebouwen maar ook meubels, vloertegels, verlichtingsarmaturen en deurklinken — alles als één coherent geheel. Via zijn tijdschrift Domus, dat hij in 1928 oprichtte, propageerde hij actief wat hij "total design" noemde: architectuur en interieur die van bij de start samen worden ontwikkeld, niet achteraf op elkaar afgestemd. Zijn concept van de "Casa all'Italiana" was precies dat: een woning als geïntegreerde totaalervaring, van structuur tot detail. Tijdgenoten als Franco Albini en Carlo Mollino werkten in dezelfde geest.

Die traditie is sterk geworteld in de manier waarop design zich in steden als Milaan heeft ontwikkeld: een nauwe verwevenheid tussen architectuur, ambacht en designindustrie. Het resultaat is een meer geïntegreerde aanpak, waarbij een interieur sneller als één coherent geheel wordt benaderd.

Die Italiaanse designcultuur heeft in heel Europa een duidelijke aantrekkingskracht behouden, niet alleen als referentie in materialen en esthetiek, maar ook als manier van denken over wonen als totaalervaring. Het is dan ook geen toeval dat die invloed vandaag nog vaak bewust wordt opgezocht en vertaald in hedendaagse interieurpraktijken, tot in de naam van een studio of merk.

Abitare is Italiaans voor wonen in de ruimste zin: niet het aankleden van een ruimte, maar het bewonen ervan als totaalervaring. Die betekenis zit bewust vervat in de naam Abitare Mooi Wonen.

In België en meer in het algemeen Noord-Europa is die evolutie anders verlopen. Door de professionalisering en specialisatie van disciplines is er vaker een opsplitsing ontstaan:

  • de architect focust op het gebouw en de ruimtelijke structuur
  • de interieurarchitect of decorateur werkt het interieur uit
  • en de klant bouwt het geheel vaak stap voor stap op met verschillende leveranciers

Dat model is al lang ingeburgerd en werkt in veel contexten uitstekend, maar leidt in de praktijk soms tot een meer gefragmenteerde opbouw van het interieur. Onderzoek naar de geschiedenis van het interieurvak in Vlaanderen bevestigt dat: architect, interieurarchitect en decorateur werden hier historisch als aparte beroepsprofielen beschouwd, met elk hun eigen domein.

Twee benaderingen die steeds vaker naast elkaar bestaan

Vandaag bestaan deze benaderingen niet naast elkaar als tegenstelling, maar als verschillende manieren van werken die in de praktijk vaak door elkaar lopen.

Veel architecten werken zelf al in een geïntegreerde logica, waarbij interieur, materiaal en architectuur van bij de start samen worden bekeken. Tegelijk blijft in andere projecten een meer opgesplitste samenwerking bestaan tussen verschillende partijen.

Wat vooral opvalt, is dat de vraag naar samenhang en coherentie in projecten algemeen sterk aanwezig blijft — ongeacht de werkwijze.

Abitare Mooi Wonen als voorbeeld van die geïntegreerde aanpak

Die manier van werken zie je concreet terug in de aanpak van Abitare Mooi Wonen.

Er wordt niet vertrokken vanuit losse producten, maar vanuit een geïntegreerd geheel. Materialen, meubels, textiel, verlichting en buiteninrichting worden niet afzonderlijk benaderd, maar als onderdelen van één samenhangend interieur- en exterieurverhaal.

Het uitgangspunt is eenvoudig: een interieur wordt niet opgebouwd uit losse elementen, maar ontwikkeld als één consistent ontwerp.

Daarom werkt Abitare met:

  • een breed maar zorgvuldig samengesteld gamma van materialen en merken • een eigen artisanale meubelcollectie uit Venetië
  • Belgische en internationale textielen en afwerkingen
  • en een eigen installatieteam dat ontwerpen technisch en esthetisch kan vertalen naar realiteit Belangrijker dan het aanbod is de manier van samenwerken: architecten kunnen het proces autonoom aansturen, of net gebruikmaken van ondersteuning in materiaalkeuzes, moodboards en uitvoering.

De showroom als werkruimte, niet als winkel

In die benadering verschuift ook de rol van de showroom. Die wordt geen eindpunt waar een klant "komt kiezen", maar een werkruimte waar concepten worden getest, materialen worden gecombineerd en ontwerpen tastbaar worden gemaakt.

Een omgeving waar architect, klant en uitvoerder samen aan hetzelfde verhaal bouwen.

Wilt u de showroom zelf ervaren als werkruimte voor uw project?

 

Van leverancier naar ontwerppartner

Wat hier onderliggend speelt, is niet zozeer een recente verschuiving, maar eerder een verdere verfijning van een manier van werken die al langer bestaat in verschillende vormen. De rol van de interieurpartner evolueert daarbij in veel projecten richting een meer geïntegreerde samenwerking: niet om de architect te vervangen, maar om het ontwerp te versterken en consequent door te trekken in materiaal en uitvoering.

Of je dat nu bekijkt vanuit een Italiaanse traditie van geïntegreerd design, of vanuit de meer gesegmenteerde Noord-Europese aanpak: in de praktijk worden beide steeds vaker gecombineerd afhankelijk van project en team.

Slot

De grens tussen architectuur, interieur en uitvoering blijft in beweging, maar eerder als een geleidelijke evolutie dan als een breuk. Voor architecten betekent dat vooral één ding: meer ruimte om te focussen op ontwerp en concept, ondersteund door partners die materiaal, detail en uitvoering mee kunnen dragen tot in de finesse.